Laurence Libert Open VLD logo Laurence Libert
 

Opiniestuk Laurence Libert over Hoger Beroeps Onderwijs

29 Apr

naar reacties ↓

Minister Vandenbroucke heeft aangekondigd dat hij een nieuw tussenniveau wil creëren in het Vlaams onderwijs. Dat het onderwijs in Vlaanderen sterk hervormt, is een onmiskenbaar feit. De vele hervormingen moeten ons hoger onderwijs duidelijker positioneren in een Europees kader. Als gevolg van deze hervormingen zijn er een aantal richtingen die een onduidelijke plaats hadden gekregen in het Vlaams onderwijslandschap, ik denk hier in het bijzonder aan de opleidingen van het hoger onderwijs oor sociale promotie en een aantal opleidingen uit het middelbaar onderwijs, de vierde graad beroepssecundair onderwijs en het zevende jaar TSO. Nochtans zijn de opleidingen die zich tussen het secundair en hoger onderwijs situeren zeer belangrijk voor de arbeidsmarkt. Hun succes getuigt hiervan en het is daarom positief dat over hun lot meer duidelijkheid wordt geschapen.

Het nieuw tussenniveau, het hoger beroepsonderwijs (HBO), zal aldus worden voorzien om de kloof te dichten tussen het secundair- en het hoger onderwijs. Het opzet is ambitieus. Minister Vandenbroucke spreekt in dit verband over het HBO als een essentiële stap in de realisatie van zijn ‘Tienkamp voor gelijke kansen’ en een streven naar een tweede democratiseringsgolf. Het gaat uit van de algemene gedachte om enerzijds de lat geleidelijk aan hoger te leggen maar anderzijds te vermijden dat mensen meteen onrealistisch hoog willen of moeten springen. Jongeren die na het secundair onderwijs willen verder studeren, maar het hoger onderwijs te hoog gegrepen vinden, kunnen in de toekomst naar een volwaardig “hoger beroepsonderwijs”. Het HBO wil de competenties van de studenten nog beter ontwikkelen en zo de arbeidskansen verhogen. Daarom zullen toekomstige opleidingen in nauwe samenwerking met de beroepswereld ontwikkeld worden. Op die manier worden garanties ingebouwd dat het HBO leidt tot beroepsgerichte kwalificaties waarmee men op de arbeidsmarkt zeker aan de slag kan.

Dit is nodig gezien het tekort aan echte vak- en stielmannen en het feit dat knelpuntberoepen niet worden ingevuld. Er is inderdaad een vacuüm tussen het secundair beroepsonderwijs en het hoger onderwijs. Een evolutie die ook in andere Europese landen waar te nemen valt.

Hieruit blijkt dat jongeren die de schoolbanken verlaten onvoldoende bagage hebben voor onmiddellijke indienstneming binnen een bedrijf. De opleidingen van sommige secundaire richtingen, zoals in het TSO en BSO, zijn onvoldoende afgestemd op de noden van de sectoren. Werkgevers vinden geen goede kandidaten voor de jobs die zij aanbieden. Waar vroeger een diploma secundair onderwijs nog garant stond voor een succesvolle overgang naar een job, is dit niet meer het geval. Men moet zich daarom de vraag durven stellen of het secundair onderwijs nog wel voldoet aan de noden van de arbeidsmarkt. Uit de vacatureanalyse van de VDAB blijkt immers dat er op het niveau van de middengeschoolden heel wat jobs zijn waarvoor de werkgevers beweren te weinig goede kandidaten te vinden voor de populatie die het secundair onderwijs heeft afgemaakt.

Alzo is er op de arbeidsmarkt nood aan specifieke opleiding omdat de gevraagde competenties niet via een opleiding in het secundair onderwijs kunnen verworven worden, voorbeelden hierbij zijn de vliegtuigindustrie of de opleiding voor tandartsassistente.

Het HBO van minister Vandenbroucke wil een duidelijke plaats geven aan opleidingen die zich tussen het secundair onderwijs en het hoger niveau bevinden en dit op basis van een marktgerichte aanpak. We juichen dit erg toe. Er bestaan genoeg voorbeelden van succesvolle opleidingen die zich in dit spectrum bevinden en die een duidelijkere positionering verdienen, zoals “E-Lab”, een project van Flanders Multimedia Valley en 3 secundaire scholen, waarbij jongeren na het secundair onderwijs of als tweede kans een gerichte opleiding rond ICT & multimediasector kunnen volgen die praktisch en onmiddellijk inzetbaar is.

Toch vragen we aan minister Vandenbroucke om eerst een grondige en kritische evaluatie te doen van het secundair onderwijs zoals zij vandaag bestaat. Daar waar nodig sommige opleidingen hervormen en vooral herwaarderen zodat als jongeren kiezen om een vak te leren dit niet als een gevolg van een watervalsysteem gebeurt, maar uit de overtuiging dat ook zij hun ‘accent op talent’ kunnen inzetten. Een onderzoek van huidige opleidingen in BSO, maar ook in TSO is aan de orde om na te gaan welke (meer)waarde opleidingen en richtingen hebben voor de leerlingen en of deze opleidingen nog voldoende kansen geven aan deze leerlingen. Kortom biedt het behaalde diploma nog een werkelijk uitzicht op het vinden van een job. Hierbij rekening houdend is ook het aanleren van een goede attitude van belang. Ook dit vormt een elementair onderdeel van een goede basis.

Als men voor het HBO sterk wil kijken naar de arbeidsmarkt, dan moeten we het BSO en TSO eerst zelf grondig onder de loep nemen. Het ene kritisch bekijken houdt ook in dat we het ander grondig moeten bekijken. De discussie over een transparant Vlaams kwalificatiestructuur, welke kwalificaties zijn nodig op de arbeidsmarkt om een bepaald beroep te kunnen uitoefenen, vormt hierbij een belangrijk onderdeel. Dat wil zeggen dat er een sterk referentiekader moet uitgebouwd worden van het soort kwalificaties voor welk soort beroepen en op welk niveau van onderwijs deze moeten kunnen behaald worden. Alsook het raamwerk van hoe de verschillende kwalificaties zich tot elkaar verhouden en inzicht geven in de competenties die een kwalificatie omvat. Er moet samenhang komen tussen de verschillende niveaus, en hierbij dient het HBO een plaats te nemen die duidelijk is en een meerwaarde kan bieden. Als je ziet dat Vlaanderen sterk investeert in de uitreiking van ervaringsbewijzen voor elders verworven competenties. (zie cijfers). Geïnspireerd op het European Qualifications Framework (EQF) zal de Vlaamse kwalificatiestructuu toelaten de Vlaamse kwalificaties aan het EQF te koppelen en op die wijze de positie van de Vlaamse kwalificaties in het buitenland helpen verduidelijken. (voorzien voor dit jaar).

Vlaanderen telt een onaanvaardbaar hoog aantal schoolverlaters zonder diploma SO. Dit toont aan dat het huidige secundair onderwijs deels faalt in haar opdracht. Je kan een Hoger Beroepsonderwijs enkel succesvol uitbouwen als een sterke basis gelegd wordt in het secundair onderwijs. Een sterke valorisatie van afwisselend leren en werken is één belangrijke impuls, maar we moeten ook het bestaande aanbod kritisch onder de loep durven nemen.

Arbeidsmarktgerichte opleidingen worden niet alleen door het onderwijs aangeboden. VDAB, Syntra en ook verschillende sectoren bieden gerichte professioneel georiënteerde opleidingen aan. Ook daar moet een betere afstemming mee georganiseerd worden. Daar moet minister Vandenbroucke juist aantonen welke hefboom hij in handen heeft door én ‘Onderwijs’ én ‘Werk’ onder zijn bevoegdheid te hebben. Met plannen zoals het Hoger Beroepsonderwijs, hoe waardevol dit project ook is, dreigt dat wat onder de mat te verdwijnen. Opleidingen HBO zijn in de eerste plaats gericht op het verwerven van een kwalificatiestructuur die onmiddellijk inzetbaar is op de arbeidsmarkt. Maar ook jongeren die niet kiezen voor een opleiding binnen HBO en enkel afstuderen in TSO of BSO moeten kansen krijgen op werk. Daarom is het belangrijk dat het civiel effect van elke afstudeerrichting binnen BSO en TSO geëvalueerd wordt naar werkelijke jobkansen.

 

gepubliceerd in Vlaams parlement trefwoord: hbo oncerwijs

Geen reacties
 
 
Reageer op dit artikel ( * → verplicht in te vullen )
code